Dichterskring Alkmaar
 
Petra van Rijn

Petra van Rijn

 




                      Petra van Rijn schrijft de poëzie van het dagelijkse, wat dichtbij, binnen haar blikveld komt. Dat is meer dan je op het eerste gezicht zou denken...


Dwaze dichter

Dwaze dichter,
de wereld bloedt,
en jij, jij hebt het over de zon in je straat.
De wereld vergaat,
en jij zingt van feest in je stad.
Hoe kun je zo zingen
als het winter wordt.
Hoe kun je zo zingen
als het donker wordt
en de mensen radeloos
omdat het grote kwaad lijkt te winnen.

Als iedereen zich ingraaft in argumenten
slechts maalt om de doden van het eigen gelijk
– dan wordt het tijd.

Als alle hoofden vervuld zijn van strijd
en fel vechten, iedereen je vijand,
het gehuil van fanatici zich mengt
met het kermen van gewonden
slachtoffers worden daders
daders worden slachtoffers
– dan wordt het tijd.

Iemand moet zingen
over de zon op het spinrag
tussen bladeren die kleuren,
hoe de geur van gisting voelt
voor een dichter die weet
van groter leed
dan het vergaan van de zomer.

Iemand moet de muziek zien
van klaterende kinderstemmen
schel tussen de huizen in de avond.
Iemand moet horen dat ze er zijn,
en dromen dat ze zullen blijven.

Iemand moet vertellen
dat de sneeuw weer witte stilte is
de vogels zwart tegen de hemel,
als altijd.

Op plaatsen platgetrapt door zware laarzen
waar misschien nooit meer iets groeit
moet iemand zich neuriën
naar de lippen van de liefste.

Iemand moet opnieuw het lied maken
van tere knoppen, aarzelend groen,
weemoedig gezang van een merel,
en iedereen lentekleren aan
als de mensen weer naar buiten gaan
weg van de doembeelden van kerkhoven
en knekelhuizen,
slagvelden dichtbij en veraf,
de close-ups van moordenaars.

Iemand moet blijven zingen
koppig tegen de dode ernst
die elke vreugde wil voorkomen.
Iemand zingt
en weigert te zwijgen, weigert te denken
naar andermans beeld.

Iemand zingt een vrij vers

Dit gedicht komt uit de bundel ‘Om en nabij’ uit 2008 en lijkt me nog steeds actueel 

                                                       

Trui

Ergens  in een arm land
lachen twee jongetjes in de lens.
Ze torsen een machinegeweer,
te groot om te omvatten. 

Eentje spreidt zijn armen,
hij moet behoorlijk rekken.
Hij is klein voor zijn leeftijd,
zijn donkere ogen stralen.

Dan herken ik zijn trui
van dagelijks door mijn handen.
Dezelfde strepen, dezelfde kraag...

Zal iemand die trui voor hem wassen,
opbergen, klaarleggen voor de dag,
goedvinden waar hij mee speelt?

                            

Amsterdamse School

En dan op een zondagmiddag
de jongens met sterren in hun ogen
hand in hand zien lopen,
voor ons uit, achter ons,
in straten met vergeten namen
waar de oogst van idealen
pronkt in krullen van steen
huizen dommelen in de roem van weleer,
de versteende fantasie van visionaire bouwers.

Zo ziet vrede eruit, zo wil je dat het is:
de stad beschenen door een flauwe winterzon
wij dwarrelend langs de tramrails
een lange weg die leidt naar jazz in een café
als achtergrond bij onze gesprekken.

Terwijl we kijken naar het licht
op de uitgeklede bomen buiten
neuriën we mee met een refrein.
Zo zorgeloos. Zo vrij.  

                                                 

Taal

Mijn misschien en mijn wie weet
overstemd door heldere gedachten,
de verstandige praat die men kent
op plaatsen waar taal een hobby is
als badminton of bridge.
Geen reddingsboei in de golven van twijfel,
in de vloed van bijziend impressionisme,
geheugenverlies, verlegenheid.

Mijn deuren van waarneming altijd wijd open
als sluizen zonder wachter,
waar indrukken binnenlopen zonder filter.
Alles komt binnen en taal wijst de weg,
loodst de verschijnselen naar een haven
die niet bestaat, maar we doen alsof,
ik lieg mijn hoofd boven water,
ik verzin een loopplank.
Ik bedenk het vasteland
en weet het een veenweide
golvend onder mijn voeten.

Schuilen

Wij schuilen tegen beter weten,
in onze huid en onze adem.
Wij stellen ons te weer
met de zachtheid van ons vel
en de onnozelheid
van onze overtuiging
tegen al wat ons kan schaden.

En dat is veel,
we staren naar het nieuws,
als een konijn in de koplamp.

Een sprookje voor het slapengaan
biedt een plek voor onze dromen,
het pilletje voor de nacht een muur
tegen al wat boos en bazig is.


                                                    

De aarde aaien

Ik wil wel
hele grote zachte handen hebben
om zo het fluweel van de velden te kunnen strelen
het groene fluweel van de weilanden
welving van de duinen
zoals ik ze zie vanuit de trein.

Elke kwieke grasspriet voelen
als de hoge pool van een mooie
soepele stof
die het landschap hier past
als een op maat gemaakte jas.
Ik wil de wereld wel aaien
zoals hij er hier bijligt
onder de blauwe lucht
onder een deken van zonlicht en schapenwolken
rustend, vreedzaam,
liggend om lief te hebben
de groene huid van de aarde.    

Deze vijf gedichten komen uit de bundel ‘Alle kanten uit’ (2017). De poëzie in deze bundel gaat inderdaad alle kanten uit, met dat wat dichtbij is als enigszins overkoepelend thema.