Dichterskring Alkmaar
 
Conny Lahnstein

Conny Lahnstein

Conny Lahnstein (1960) laat haar woorden vloeien als een aquarel, ze vormen een beeld van haar gedachten en gevoelens. Zij schrijft niet alleen gedichten, maar is ook beeldend kunstenaar, zangeres en artiest.


Scheppen

Kronkelend gonst het als kolder over de daken. Het
zoekt mij in alles. In zwermen wilde eenden als lange
stroken door gevederde luchten. Het geaderd groen,
de stervende takken, het rillend water. Mijn brein sliert
en slingert voort als een nimmer te voltooien puzzel.

We wandelen langs golvende duinen, robuust en deinend,
gekromd, gekruld en gebroken in rustieke tonen. Over
omwoelde zanderige paden als fractals in het landschap,
waarover de starende paarden voortdurend naar ergens.
Mijn ogen verwonderen zich als nieuw. Geen meetlat past.

Mijn handen willen je voelen, tasten je gladde huid en
elke unieke oneffenheid. Ik wil je leren zien met mijn
ogen dicht. Mezelf verliezen in bloedwarme stuwing,
onderhuids wentelend in chaos, herschikken en
scheppen tot dat ene ademloze moment. Ik ontroer.

In passionele stroken van licht val ik uiteen

 

                                          

Kwijt

Mijn bril is zoek, hij zou hier moeten
liggen, tussen mijn kleren of misschien
de handdoeken, daar waar ik de haarspeld
vond die gisteren nog spoorloos was.

Zonder bril zoek ik naar mijn sleutels, vind
ze niet in mijn jasszak of het laadje, niet in
mijn tas of onder de mat. De code van mijn
pas vraag je, die ben ik alweer vergeten.

Ik zou het moeten weten, net als de naam van
dinges, je weet wel, waar we laatst nog waren.
En die ene CD zit niet in het hoesje. Nog een
zoekgeraakt stukje dan is de puzzel compleet.

De tijd laat zich vinden.

Voluit

Wij kiezen niet voor de makkelijke
weg, wij hebben een onstuimig leven,
wij leven passie en schoonheid. Wij
zijn doorzetters, bewustmakers,
wakkerschudders, liefdestrooiers,

geen levensvergooiers in vluchtige
oppervlakkigheid. Wij strelen wat ons
lief is, huilen onze tranen mee, gaan
ons te buiten aan hartstocht, ons is
geen brug te ver, in mijlpalen slaan

laten wij ons gaan, in stilte soms of
daverend rumoer, de leegte brengt ons
naar verder, de ruimte nemend om daar
te zijn waar we onze vleugels uit
kunnen slaan, met armen wijd het

leven ademen
wij

 

                                       

Gebroken vingers

Dozen gevuld met herinneringen
in duizenden woorden inkt, foto’s
vergeeld en krom getrokken tot
vergeten wezens, wezenloos tussen
voosjes in doosjes vol kleinoden,
verheven tot tijdloze schatten.

Daarin de vogels, verteerd en verweerd,
de oude speelgoed viool in navenant
geravelde kist. Ik wist de rituele
handen, maar onbeschermd, kaal
en kwetsbaar broos. De haast liet
mij begtaan, de doos gesloten tot

aan het andere huis, op die andere
plek. Ondanks, de vingers gebroken,
het wit van aarde verbrokkeld. Van
hun voetstok ontbonden, de palm
verminkt. Ik heb ze teder verbonden,
in zwart gedoopt tot nieuw leven

door jouw gewekte ogen.